Jean-Baptiste Cimédart


Nu wij vanaf september a.s. als “Faculteit der Wijsbegeerte” door het leven zullen gaan, kan het wellicht geen kwaad om de mythe uit de wereld te helpen dat Cimedart een afkorting van “Centrale Interfaculteit Mededelingen en Artikelen” zou zijn. Als dat echt zo was, zouden wij vanaf het volgende nummer immers Fwimedart of iets dergelijks moeten gaan heten.

De naam “Cimedart” is in werkelijkheid ontleend aan een Franse Filosoof die als subject vrijwel geheel uit het filosofisch discours verdween, lang voor dat bij zijn toekomstige poststructuralistische landgenoten de mode zou worden, en moet dus op zijn Frans worden uitgesproken. Deze allusie op een volstrekt vergeten wijsgeer is bedoeld als vingerwijzing voor de mierenachtige bedrijvigheid aan onze faculteit, maar ze is door degenen die haar hebben bedacht nooit aan de grote klok gehangen. Omdat dit jaar echter net Cimédarts tweehondertste sterfdag valt, willen we hem toch kort gedenken; niet om zij filosofische kwaliteiten (die bezat hij namelijk nauwelijks), maar om zijn toch wel enigszins gedenkwaardige levensloop. Zo zullen er ook voorlopig geen misverstanden over de naam (en dus de inhoud) van dit blad hoeven te ontstaan.
 


Levensloop

Jean-Baptiste Cimédart werd in 1721 in Yonville (Bretagne) geboren als zoon van een koster. Na een degelijke opleiding aan de lokale Jezuïetenschool (van een geplande carrière als priester zag hij al spoedig af) studeerde hij wijsbegeerte en medicijnen aan de Sorbonne in Parijs. Ter afronding van zijn studie kwam hij in 1746 naar Leiden, waar Boerhaave toen doceerde. Door zijn medische studie raakte hij geïnteresseerd in de nieuwe materialistische filosofie, en verbleef daarom nog enkele jaren in de tolerante Lage Landen (in Frankrijk hadden mensen als Diderot en La Mettrie immers al danig van de censuur te lijden gehad). Hij onderhield hier contacten met o.a. de Amsterdamse humanist Theodorus Agricola, en in Antwerpen (waar hij bij uitgeverij Plantin anoniem een erotische vertelling Erica ou le pouvoir du désir publiceerde) met de misanthropische Franciscus Jacobus.

Inmiddels was La Mettrie’s L’homme machine in Nederland gepubliceerd, en in het voetspoor van deze “kampioen van het materialisme” trok Cimédart in 1751 naar het hof van Frederik de Grote in Potsdam. Uit Antwerpen bracht hij als cadeau voor La Mettrie (die bekend stond om zijn epicurische levenshouding) een pastei mee. Of La Mettrie dit geschenk gewaardeerd heeft, en zelfs of de twee elkaar überhaupt hebben ontmoet is niet bekend, want La Mettrie overleed kort na Cimédarts aankomst.

Erg veel indruk heeft Jean-Baptiste blijkbaar niet aan het hof gemaakt; in de geschiedenisboeken is zijn naam zelfs vrijwel nergens te vinden. Hij was ook eigenlijk meer het prototype van de intellectuele claquer dan van de oorspronkelijke denker. In 1754 publiceerde hij een Discours sur l’excistence de Dieu, maar dit werk is meer een samenvatting van de toendertijd salonfähige gedachten dan een originele of nieuwe synthese. Datzelfde geldt voor zijn Essai sur les moeurs des hommes (1757), wat uit het volgende citaat moge blijken:

“En effet, il n’y a point peuple, soit-il civilisé o u non, dont les opinions et les moeurs nous semblent, fort extravagentes et ridicules, bien qu’elles ne laissent pas d’être communément approuvées par d’autres grand peuples. ” (Essai,préface). Het hele werkje straalt dit soort gemakzuchtig relativisme uit.
 


Erotische escapades

Eerlijk gezegd deed Cimédart meer stof opwaaien door zijn erotische escapades in kasteel Sans Souci dan door zijn filosofische werken. Hij gebruikte zijn (of andermans) hedonistische materialisme voornamelijk als theoretische excuus voor een banaal bestaan van luieren, rokkenjagen en het bezoeken van taveernes en tweederangs schouwburgen. Toen hij in 1759 één van Frederiks hofdames in gezegende omstandigheden had gebracht, werd hem dan ook te kennen gegeven dat hij Potsdam maar beter kon vertlaten.

Hierna horen we vijftien jaar niets meer van hem. Vermoedelijk heeft hij nog enkele jaren dienst gedaan in een van de huurlingenlegers die Polen, Pruisen en Bohemen geregeld onveilig maakten. In 1774 duikt hij echter weer op in Parijs en publiceert een pamflet waarin hij D’Holbach ervan beschuldigt dat diens Système de la nature (1770) grotendeels berust op aantekeningen die Cimédart “à l’etranger” ontstolen zouden zijn.

Met dit vage verhaal, waarin hij zichzelf natuurlijk als miskend genie presenteert, vergroot hij zijn populariteit niet, en als hij in 1778 zijn Traité du sublime, waarin hij nogmaals zijn libertijnse opvattingen uiteenzet, verschijnt, wordt hij op een lettre de cachet in de Bastille opgesloten. Hier brengt hij de laatste negen jaar van zijn leven door. Anders dan bv. Sade zijn er van hem geen geschriften uit deze periode van gevangenschap overgeleverd.
 


Nagedachtenis

Na zijn dood in 1787 is Cimédart zo goed als totaal vergeten. Latere filosofen en historici hebben hem blijkbaar hun aandacht niet waar gevonden; zelfs Michel Foucault besteed in Surveiller en punir en Le désordre des familles geen woord aan zijn opsluiting.
Paste Cimédart soms niet in het stramien van deze boeken? Was hij door de eeuwen heen het slachtoffer van een stelselmatige onderdrukkingen van zijn werk? Het lijkt er meer op dat hij domweg te middelmatig was om in latere tijden enige aandacht te verdienen. Zo valt bv. ook in Lange’s omvangrijke Geschichte des Materialismus zijn naam slechts één keer, in een voetnoot (dl.2, p.322). In 1929 publiceerde markies Maurice de Marsin een Vie et oeuvres de Jean-Baptiste Cimédart (Charenton, Dolmancé éditeur), maar ook dit werk is vrijwel onvindbaar.

Het ziet er niet naar uit dat er dit jaar nog enige herdenkingsactiviteiten zullen plaatsvinden; misschien zullen we in een volgend Cimedartnummer wat dieper op zijn werk ingaan. Laat in de tussentijd zijn nagedachtenis, of het ontbreken daarvan, voor elke Amsterdamse filosoof een waarschuwing zijn.


Michiel Leezenberg, juni 1987