CIMEDART
Tijdschrift voor filosofie
sinds 1969



Recensie

Hannah Arendt: Over liefde en kwaad

Johan van Banning


‘Als Hannah Arendt niet bestaan had, had men haar moeten
uitvinden’, luidt de eerste zin van het hier te bespreken boek.
Het zijn boude teksten om een biografie mee te beginnen,
zeker als het om een filosoof gaat. Dient men in beginsel
geen filosofieën uit te vinden, en geen filosofen? Wat maakte
Hannah Arendt dan bijzonder genoeg om uitgevonden te
moeten worden? In haar bondige biografie, Hannah Arendt:
over liefde en kwaad
, doet Ann Heberlein een poging deze
vraag te beantwoorden. Heberlein tracht het denken van
‘Hannah’ uiteen te zetten aan de hand van bepalende
momenten uit haar leven. Het resultaat is een toegankelijke
beschouwing van zowel de hoofdonderwerpen van haar
filosofie als haar levensloop.


Want een leven was het. Al aan het begin ervan ziet de jonge
Arendt zich geconfronteerd met problemen van formaat:
tijdens de Eerste Wereldoorlog moet ze met haar moeder,
nadat haar vader jong is overleden, uit haar geboortestad
vluchten voor de oprukkende Russen. Zij studeert in Marburg
en Heidelberg filosofie en gaat een verhouding aan met
Martin Heidegger, om vervolgens in de jaren dertig opnieuw
op de vlucht te moeten slaan. Dit keer naar Frankrijk om aan
de Nazi’s te ontkomen. Als uiteindelijk ook Frankrijk door de
Nazi’s wordt bezet, weet Arendt met haar partner Heinrich
Blücher ternauwernood naar Spanje te ontsnappen, om van
daaruit naar de VS te vluchten. Aldaar weet zij uiteindelijk
een imposante academische carrière op te bouwen, en
verwerft door enkele spraakmakende teksten en artikelen
een cultstatus als denker. Hoewel gepaard gaand met de
nodige controverses, wordt zij bij haar overlijden in 1975
beschouwd als een van de belangrijkste politieke denkers
van de twintigste eeuw.


Van een minutieuze uiteenzetting van het leven van Arendt
is in de biografie geen sprake, eerder van een selectie van
episodes die volgens Heberlein van belang zijn geweest voor
haar denken. Zo wordt de (voor de hand liggende) koppeling
gemaakt tussen de periode waarin zij tijdens de oorlog
stateloos door Europa zwerft en haar scepsis over mensenrechten:
‘natuurlijke’ rechten, die buiten de eigen politieke
gemeenschap gehandhaafd zouden kunnen worden, bleken
in de oorlog geen betekenis te hebben. Ook zien we haar
ideeën over het nemen van verantwoordelijkheid gereflecteerd
in haar eigen handelen, stelt Heberlein. Door bijvoorbeeld
beloftes te maken en schulden te vergeven neemt een
mens verantwoordelijkheid voor zijn daden, en ontwikkelt hij
of zij een morele identiteit.


Deze gedachte wordt onder andere uitgewerkt in een
beschouwing over Hannah’s verslaggeving van het proces
tegen Eichmann. De beruchte ‘banaliteit van het kwaad’,
maar ook haar stelling dat de Joodse raden in de oorlog
onvoldoende verantwoordelijkheid zouden hebben genomen,
zorgen voor controverses die tot op de dag van vandaag
aanhouden. Ja, zegt Heberlein, de redenering had explicieter
gemoeten, maar toch. ‘Fiat veritas, et pereat mundus.’ Door
hen volledig van verantwoordelijkheid te kwijten wordt juist
de morele capaciteit van de Joodse raden ontkend. Haar
omgeving mocht dat een probleem vinden, maar zij zou
zeggen wat gezegd moest worden. Geen enkele omstandigheid,
hoe extreem ook, ontslaat iemand van zijn morele
verantwoordelijkheid.


Een ander onderdeel van haar leven waar deze insteek
interessante passages oplevert, is haar verhouding tot
Heidegger. Aan de relatie die Arendt met Heidegger tijdens
haar studie aangaat, wordt relatief weinig aandacht besteed.
De vergiffenis die zij hem na de oorlog zou schenken levert
echter een zeldzaam ambivalent hoofdstuk op: Arendt
vergeeft Heidegger niet alleen zijn NSDAP-lidmaatschap
in de oorlog, maar zij verdedigt hem bovendien vurig als
gematigd nationaalsocialist (onterecht, zal uit later historisch
onderzoek blijken). Heberlein schetst de vergiffenis als een
daad van grootmoedigheid, die zowel Arendt als Heidegger
in staat stelde het verleden achter zich te laten en als vrije
mensen de toekomst tegemoet te treden. Toch vraagt ze
zich af of de keuze om Heidegger publiekelijk te disculperen
wel in overeenstemming met haar filosofie was: was dit nog
onderdeel van een door een verantwoordelijk mens geschonken
vergiffenis, of toch een knieval?


Moeizamer is dat de bewondering die Heberlein overduidelijk
voor Arendt heeft soms neigt tot heldenverering. Zo
beschrijft Martha Arendt in een brief hoe de grote levendigheid
en vrolijkheid van de zevenjarige Hannah op de begrafenis
van haar vader zorgen baart. Behoefte aan aandacht,
denkt Martha. Nee, zegt Heberlein, ze nam ook als zevenjarige
al haar verantwoordelijkheid. Een ander probleem is
dat Heberlein het werk van Arendt overduidelijk goed kent,
maar passages, waarin de centrale thema’s van haar denken
worden besproken, onnodig vult met zijsporen naar andere
denkers en historische studies. Arendts eigen denken eindigt
daardoor dikwijls in een bijrol.


De sterkste momenten van de biografie zijn dan ook de
hoofdstukken waar Arendt als mens tevoorschijn komt.
Bijvoorbeeld het verlies van haar vaderland aan de Nazi’s
(‘Wohl dem, der keine Heimat hat; er sieht sie noch im Traum’,
schrijft ze in een droevig gedicht) en haar moeizame integratie
in een Amerikaans gastgezin van geheelonthouders:
‘Meneer G doet zijn uiterste best maar verkeert in de duistere
overtuiging dat ik zijn meerdere ben, en hij koestert die
typisch Amerikaanse angst dat iemand hem in de maling zal
nemen’. Hoofdstukken als deze maken de biografie het lezen
waard. Het meest krachtig is een duistere episode waarin
Arendt, alleen in een erbarmelijk Frans interneringskamp, de
Franse capitulatie ophanden, overweegt de hand aan zichzelf
te slaan: ze verkiest te leven, omdat zelfmoord de ellende
waar ze zich mee geconfronteerd zag tot een individueel probleem
reduceert, terwijl het juist de opgave van alle mensen
was om hier iets aan te doen. De tragiek is, welbeschouwd,
dat Hannah Arendt niet uitgevonden werd.